Voorbije besnorring

Zondag 08 December 2013 at 12:16 pm


Afgelopen november verstreek voor mij in een zekere sfeer van weemoed en nostalgie. Niet alleen omdat in deze maand een aantal mensen die mij lief zijn of waren (waaronder ik zelf) ter wereld kwamen, maar omdat ik in het kader van Movember mijn snor liet staan.

Voor wie mij al wat langer kent zal het geen nieuws zijn, maar tot op enkele jaren geleden was ik dus snordragend. Niet dat het veel voorstelde, eigenlijk was het niet meer dan een doorschijnend, harig gordijntje dat vanonder mijn neus naar beneden hing zodat ik er regelmatig gedachteloos aan sabbelde. Om er nog enige body aan te geven experimenteerde ik regelmatig met toevoegingen als sikjes, baardjes, Zappa-aanhangsels en andere pluksels, totdat ik uiteindelijk tot de conclusie kwam dat zelfs mijn toenmalige buurvrouw mij qua gezichtsbeharing op alle fronten overklaste.

Mijn eerste besnorringen, of liever gezegd de pogingen daartoe, stammen uit mijn middelbare schoolperiode toen het ineens heel belangrijk werd om de meisjes in mijn klas duidelijk te maken dat ik toch écht een jongetje was. In de loop der tijd raakte ik bekend met efficiëntere, en bovendien leukere methodes om testosteron in mijn systeem aan te tonen, maar liet de snor voor wat hij was omdat het me 's morgens in de badkamer minimaal twee overbodige bewegingen scheelde om hem af te scheren.

Het eerste, serieuze snorloze interbellum beleefde ik bij mijn Eerste Grote Liefde, die vanwege een vaag jeugdtrauma een gloeiende hekel had aan gezichtshaar. Langere tijd wist ik ontbossing te voorkomen, onder meer door haar te wijzen op de voordelen bij het liefdesspel: onze beharing sloot zo mooi op elkaar aan, haartjes veroorzaakten extra prikkels op gevoelige plekjes en ik vond het gewoon fijn om later op de dag nog een mooie herinnering op te snuiven. Maar uiteindelijk verloor ik. Eerst mijn haar, toen haar. En toen ze me enige tijd later voorstelde aan haar nieuwe vriend werd mij in één oogopslag duidelijk dat ze niet zozeer een hekel had een snorren, maar aan míjn snor.

Ongetwijfeld heeft er een zekere gekwetste trots aan ten grondslag gelegen, maar sindsdien heb ik mijn wens om een knevel te kweken nooit meer door een ander laten beïnvloeden, tot aan het moment, ondertussen alweer enige jaren geleden, dat ik zelf besloot dat mijn gezichtshaardracht door de tijd was achterhaald.

En toen was het Movember, een periode om uiting te geven aan dingen waar je bij stil zou moeten staan. Voor mij ook een periode om even terug te keren naar de behaarde dagen die mij mede vormden tot wie ik nu ben, een periode ook om te kijken hoever ik ondertussen mijn besnorde zelf was ontgroeid. Mijn collega´s gaven op dat laatste een duidelijk en niet mis te verstaan antwoord. Of eigenlijk meerdere antwoorden, waarbij het luidkeels en in koor zingen van YMCA bij mijn binnenkomst misschien we de minst confronterende was. Volgend jaar zal er voor mij dan ook met Movember geen besnorring plaatsvinden.

Toch zullen de principes van Movember mij ook volgend jaar uitdagen tot een uiting, waarbij het niet kweken van een snor om een alternatief zal vragen. Zo weet ik zeker dat er iets aan lichaamshaar te vinden is dat ik gedurende die periode weer eens ongelimiteerd kan opkweken, zonder daar deze keer anderen mee lastig te vallen. Een soort privéstatement, waarbij mij vooral in de eerste week een hevige jeuk ten deel zal vallen, een virtueel cilicium om het bewustzijn op het onderwerp te scherpen.

Dat ik af en toe een beetje vreemd loop zijn de mensen ondertussen wel van me gewend...

Trouw en Trots

Maandag 02 December 2013 at 1:10 pm


Het geld in zijn zakken gaf hem weinig voldoening toen hij naar zijn auto liep, net zo min als voorgaande jaren. Weer had hij het hoofd gebogen en was hij degene geweest die had toegegeven.

Hij zag zichzelf staan, heel nadrukkelijk naast de rijk versierde stoel, en met de staf in zijn hand voelde hij zich meer als een levende paraplubak dan als een volwaardig meedelende partner. Volwaardig? Me reet! Hij had nog nooit in een rijk versierde stoel gezeten, hij was nog nooit het middelpunt van alle aandacht geweest. Hij had nog nooit de gelegenheid gehad om stiekum een borreltje onder de baard door te gieten, want daar liep zijn schmink maar van uit. En wat meer was; hij kreeg nooit jonge moedertjes op schoot die hij met gehandschoende hand zachtjes over de billen wreef. Nee, hij mocht lopen met een te korte pofbroek en kriebelende krullen. En dan sinds dit jaar ook nog eens dat gezeur over zijn gezicht...!

Die kinderen deden hem niets meer. In het begin had hij nog wel voldoening gevonden in die blije gezichtjes. Maar zoetjes aan was dit verloren gegaan in een gevoel van redeloze jaloezie toen hij merkte dat zijn partner hele andere genoegens aan hun bezoekjes beleefde. Als ze de kinderen hadden afgewerkt was het de beurt aan de moeders en die wilden maar wat graag op schoot. Om te worden bevoeld, befriemeld en opgegeild met dubbel-zinnigheden en woordjes die niet te horen waren voor de in alle onschuld toekijkende kinderen, de dove Opa's en Oma's, en de vaders die het veel te druk hadden met hun digitale camera's en camcorders. Maar híj hoorde het wel. En hij zag de witte handschoenen bewegen over de strakke billen en dijen, gehuld in pikant gespannen feest-jurkjes, de bewegingen onder het onderkleed en de nauwelijks verhulde blikken in open halsjes en décoleté's.

Ieder jaar weer bracht hij de mogelijkheid ter sprake om eens van rol te wisselen. En ieder jaar werd dit lachend van tafel geveegd, uiteraard op basis van goede en doordachte argumenten: een te jong uiterlijk, geen ervaring, 'het gaat zo toch goed', 'het pak is op maat gemaakt', 'te opvallend voor de kinderen die ons kennen'. En dus stond hij ieder jaar weer trouw naast de rijk versierde stoel, met z'n zak in de ene hand en de staf in de andere, terwijl hij met lede ogen moest toezien hoe naast hem de jonge moedertjes tot ongekende hoogten werden opgegeild.

Maar volgend jaar zou het anders gaan. Vertrouwen in het argument had hij al lang niet meer, maar er waren andere manieren. Ongelukjes gebeurden nu eenmaal; een misstapje vanaf de loopplank van de boot, een onverwachte beweging van het paard, een gladde dakgoot.... Nee, volgend jaar werd alles anders. Hij versnelde zijn pas naar de auto met hernieuwde energie en veegde een zwart korreltje uit zijn ooghoek, een veeg achterlatend op zijn wijsvinger.

Maar dat vond hij al lang zo erg niet meer...